Bij de beoordeling van de balansposten en het jaarresultaat is het van belang te weten op welke grondslagen de waardering hiervan berust. Daarom wordt de toelichting op de balans voorafgegaan door een korte uiteenzetting van deze grondslagen.
In het algemeen worden bij waardering van balansposten en bepaling van het resultaat de volgende beginselen in acht genomen:
- matching-beginsel:
kosten worden zoveel mogelijk toegerekend aan de periode waaraan de met die kosten behaalde opbrengsten worden toegerekend
- realisatie-beginsel:
de opbrengst wordt toegerekend aan de periode waarin de prestatie wordt geleverd en de opbrengst met zekerheid kan worden vastgesteld
- bestendigheidsbeginsel:
alleen indien gegronde redenen daartoe aanleiding geven, kunnen de grondslagen voor waardering en resultaatbepaling worden gewijzigd. Dergelijke wijzigingen moeten worden vermeld in de jaarrekening
Waardevermindering van activa (bijvoorbeeld als gevolg van gebruik of veroudering) kan tot uitdrukking worden gebracht door afschrijving: een verlaging van de boekwaarde op de balans, welke ten laste komt van de rekening van baten en lasten. Op deze wijze kunnen ook de lasten van immateriële vaste activa worden ‘verdeeld’ over meerdere jaren.
Veel gehanteerde methoden daarbij zijn:
- lineair: het bedrag aan afschrijving is elk jaar hetzelfde;
- annuïtair: het totaalbedrag aan rente en afschrijving is elk jaar hetzelfde (jaarlijks stijgt het afschrijvingsbestanddeel en daalt het rentebestanddeel);
De jaarrekening is opgemaakt met inachtneming van de voorschriften die het Besluit begroting en verantwoording gemeenten daarvoor geeft.
De waardering van de activa en passiva en de bepaling van het resultaat vindt plaats op basis van historische kosten. De activa en passiva worden opgenomen tegen nominale waarde, tenzij anders wordt vermeld.
Waarderingsgrondslagen voor activa
Immateriële vaste activa
De immateriële vaste activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgings- c.q. vervaardigingsprijs verminderd met de afschrijvingen en waardeverminderingen die naar verwachting duurzaam zijn. Eventuele van derden verkregen specifieke investeringsbijdragen worden in mindering gebracht op het geactiveerde. Hierbij wordt de verkregen bijdrage als bate verantwoord.
De afschrijving van de geactiveerde kosten van onderzoek en ontwikkeling vangt aan bij de ingebruikneming van het gerelateerde materiële vast actief en wordt in vijf jaar afgeschreven.
Afsluitkosten van opgenomen geldleningen worden afgeschreven in de looptijd van de betrokken geldlening. Boeterente mag worden afgeschreven in een periode die maximaal gelijk is aan de looptijd van de lening.
De bijdragen in de activa in eigendom van derden worden afgeschreven over de te verwachten gebruiksduur.
Materiële vaste activa
Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten. De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingsprijs kunnen voorts worden opgenomen een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak die aan de vervaardiging van het actief worden toegerekend. In dat geval vermeldt de toelichting dat deze kosten worden geactiveerd.
De materiële vaste activa worden over het algemeen lineair afgeschreven. Een aantal schoolgebouwen (inclusief inventaris) en het merendeel van de rioleringswerken worden bij wijze van uitzondering annuïtair afgeschreven, waarbij aansluiting is gezocht bij rijksvergoedingen (in het verleden).
De levensduur van de materiële vaste activa (op basis waarvan de afschrijvingen worden bepaald) staat niet per definitie vast. In het algemeen echter worden de volgende termijnen gehanteerd:
- gebouwen: afschrijving in 40 jaar
- rioleringswerken: afschrijving in 25 jaar
- technische installaties: afschrijving in 15 jaar
- inventaris: afschrijving in 10 jaar
Voor bepaalde activa welke zijn geactiveerd voor de huidige verordening 212 is een afwijkende afschrijvingstermijn gehanteerd. Bijvoorbeeld voor schoolgebouwen is een afschrijvingstermijn 30 jaar of 50 jaar gehanteerd. Dit is conform besluitvorming in het verleden (voor verordening 212).
Ten aanzien van de afschrijving wordt het volgende regime wordt gehanteerd:
- Op gronden wordt niet afgeschreven
- De te verwachten gebruiksduur en afschrijvingstermijn van wegen, wegconstructies, rotondes, verkeerslichtinstallaties en openbare verlichting vaststellen op 15 jaar
- De te verwachten gebruiksduur en afschrijvingstermijn van bruggen, viaducten en overige grotere kunstwerken vaststellen op 20 jaar
- Te verwachten gebruiksduur en afschrijvingstermijn van overige activa (veiligheidsvoorzieningen, telefooninstallaties, inventaris, etc.) vaststellen op 10 jaar
- Te verwachten gebruiksduur van automatiseringsproducten vaststellen op 3 tot 5 jaar, afhankelijk van de op dat moment gangbare ervaringsnormen
- De te verwachten gebruiksduur en afschrijvingstermijn van voertuigen, gereedschappen en overige materiaal vaststellen naar op dat moment gangbare ervaringsnormen
- Een andere te verwachten gebruiksduur en afschrijvingstermijn dan hierboven genoemd moet worden gemotiveerd
Investeringen met economisch nut
Deze materiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Specifieke investeringsbijdragen van derden worden op de desbetreffende investering in mindering gebracht.
Investeringen met economisch nut waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven
Activa met economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven, worden afgeschreven conform de hierboven genoemde afschrijvingstermijnen.
Investeringen in de openbare ruimte met uitsluitend maatschappelijk nut
Investeringen met een maatschappelijk nut worden, evenals investeringen met een economisch nut, geactiveerd en over de verwachte toekomstige levensduur afgeschreven. De verplichting om alle investeringen te activeren volgens de nieuwe methode geldt alleen voor investeringen die vanaf het begrotingsjaar 2017 worden gedaan.
Gronden die tot en met 2015 onder de voorraden werden opgenomen als niet in exploitatie genomen gronden(NIEGG) worden met ingang van 2016 tegen dezelfde boekwaarde geclassificeerd onder de materiële vaste activa. Deze overgangsbepaling heeft een looptijd van vier jaar. Uiterlijk 31 december 2019 zal een toets plaatsvinden op de marktwaarde van deze gronden tegen de geldende bestemming op het moment van de marktwaardetoets. Wordt daarbij een duurzame waardevermindering vastgesteld, dan zal dat uiterlijk 31 december 2019 leiden tot een afwaardering van deze gronden.
Financiële vaste activa
Kapitaalverstrekkingen aan gemeenschappelijke regelingen en overige verbonden partijen, (overige) leningen u/g en (overige) uitzettingen zijn, tenzij hierna anders is vermeld, opgenomen tegen nominale waarde. Zo nodig is een voorziening voor verwachte oninbaarheid in mindering gebracht.
Participaties in het aandelenkapitaal van NV’s en BV’s (kapitaalverstrekkingen aan deelnemingen in de zin van het BBV) zijn gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs van de aandelen. Indien de waarde van de aandelen onverhoopt structureel mocht dalen tot onder de verkrijgingsprijs zal afwaardering plaatsvinden.
Voorraden
De voorraad onderhanden werk (bouwgrondexploitatie) wordt gewaardeerd tegen aanschafwaarde.
De nog niet in exploitatie genomen gronden zijn gewaardeerd op basis van marktwaarde. De voorraad handelsgoederen zijn gewaardeerd tegen de aanschafwaarde.
Overige activa
De vorderingen en liquide middelen en het saldo met betrekking tot het schatkistbankieren worden gewaardeerd tegen de nominale waarde.
Het drempelbedrag voor het schatkistbankieren is voor de Gemeente Stede Broec € 332.000.
Waarderingsgrondslagen voor passiva
Eigen vermogen
Onder het eigen vermogen zijn opgenomen de algemene reserves en de bestemmingsreserves, evenals het jaarresultaat (= saldo van baten en lasten). De reserves worden op de balans opgenomen tegen de nominale waarde.
Voorzieningen
Onder de voorzieningen zijn opgenomen de per 31 december 2017 voorzienbare verplichtingen, verliezen en/of risico’s, voor zover hiervan de omvang redelijkerwijs is in te schatten.
Tevens zijn er egalisatievoorzieningen opgenomen.
Ook zijn onder de voorzieningen van derden verkregen middelen opgenomen die specifiek besteed moeten worden opgenomen.
De voorzieningen zijn gewaardeerd tegen de nominale waarde.
Vaste schulden met een rentetypische looptijd > 1 jaar
Evenals de verstrekte leningen worden de vaste schulden met een rentetypische looptijd > 1 jaar (langlopende opgenomen leningen) gewaardeerd tegen de nominale waarde verminderd met het totaal van de aflossingen. De looptijd van de leningen varieert, maar is minimaal 10 jaar. De leningen worden lineair of annuïtair over de looptijd afgelost.
Op de balans per 31 december 2018 zijn de door diverse projectontwikkelaars voorgefinancierde gronden als afzonderlijke posten opgenomen. Deze passiva zijn opgenomen tegen de nominale waarde. De verschuldigde rente wordt jaarlijks bijgeschreven.
Overige (= vlottende) passiva
De vlottende passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde.
Te betalen omzetbelasting en toepassen koepelvrijstelling
Bij het opstellen van de jaarstukken van de GR SED organisatie is, overeenkomstig de besluitvorming van het bestuur, de koepelvrijstelling toegepast. Gemeenten die een ambtelijke fusie aangaan hoeven, door toepassing van de koepelvrijstelling geen btw te betalen over de diensten van het gezamenlijke ambtenarenapparaat.
In 2017 heeft het Hof van Justitie in Luxemburg een uitspraak gedaan over de toepassing van de koepelvrijstelling. Naar de mening van de staatssecretaris impliceert deze uitspraak dat bij ambtelijke fusies de koepelvrijstelling niet kan worden toegepast. Onze en andere landelijk opererende fiscale adviseurs zien in de uitspraak van het Hof van Justitie in Luxemburg ruimte om de koepelvrijstelling ruimer te interpreteren dan de staatssecretaris thans doet. De koepelvrijstelling zou in deze visie gedeeltelijk toegepast kunnen worden bij ambtelijke fusies.
Vooralsnog blijft de GR SED organisatie overeenkomstig de besluitvorming van het bestuur de koepelvrijstelling toepassen.
Naar verwachting zal de Belastingdienst naheffingsaanslagen gaan opleggen waar tegen de GR SED organisatie bezwaar zal maken en uiteindelijk voorgelegd zal worden aan de Rechtbank. Hierdoor blijft sprake van een onzekerheid over de verschuldigde omzetbelasting inzake de diensten van het gezamenlijke ambtenarenapparaat. Op formele gronden is bezwaar aangetekend tegen de betaling van de verschuldigde omzetbelasting. Als de Belastingdienst ons in het ongelijk stelt, bestaat het risico dat naheffingsaanslagen worden opgelegd. Wij schatten in dat dit risico qua kans gering is en het financiële risico voor Stede Broec tot en met 2018 in totaal berekend is € 77.000 (2015: € 22.000; 2016: € 19.000; 2017: € 16.000; 2018: € 20.000 ).
Waarderingsgrondslagen voor de bepaling van het resultaat
De jaarrekening is opgemaakt met inachtneming van de voorschriften die het Besluit begroting en verantwoording gemeenten daarvoor geeft.
De baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben. Baten en winsten worden slechts opgenomen voor zover zij op balansdatum zijn gerealiseerd. Verliezen en risico’s die hun oorsprong vinden voor het einde van het dienstjaar worden in acht genomen als zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden.
Dividendopbrengsten van deelnemingen worden als baten genomen op het moment waarop het dividend betaalbaar wordt gesteld.
Met betrekking tot de eigen bijdrage die het CAK in en aan de gemeente afdraagt, geldt op basis van de Kadernota Rechtmatigheid 2018 van de commissie BBV het volgende: Gemeenten kunnen op basis van de overzichten van het CAK wel de aantallen personen, soort en omvang van de zorgverlening beoordelen met de eigen Wmo-administratie. Probleempunt is dat door het ontbreken van inkomensgegevens op de overzichten de informatie over de eigen bijdrage ontoereikend is om als gemeente de juistheid op persoonsniveau en volledigheid van de eigen bijdragen als geheel te kunnen vaststellen. Door de systematiek te kiezen van het vaststellen van de eigen bijdrage door het CAK, heeft de wetgever in feite bepaald dat de verantwoordelijkheid voor de juistheid en volledigheid van de eigen bijdragen geen gemeentelijke verantwoordelijkheid is. Dit betekent dat door de gemeenten geen zekerheden over de omvang en hoogte van de eigen bijdragen kunnen worden verkregen als gevolg van het niet kunnen vaststellen van de juistheid op persoonsniveau, zoals hiervoor is toegelicht.
Personeelslasten worden in principe toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben. Als gevolg van het formele verbod op het opnemen van voorzieningen c.q. schulden uit hoofde van jaarlijks terugkerende arbeidskostengerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume, worden sommige personeelslasten echter toegerekend aan de periode waarin uitbetaling plaatsvindt. Daarbij moet worden gedacht aan componenten zoals ziektekostenpremie ten behoeve van gepensioneerden overlopende en verlofaanspraken en dergelijke.
Voor arbeidskostengerelateerde verplichtingen van een jaarlijks vergelijkbaar volume wordt geen voorziening getroffen of op een andere wijze een verplichting opgenomen. De referentieperiode is dezelfde als die van de meerjarenraming, te weten vier jaar. Indien er sprake is van (eenmalige) schokeffecten (bijvoorbeeld door reorganisaties) dient wel een verplichting opgenomen te worden.
De baten en lasten worden bruto verantwoord: baten en lasten worden ongesaldeerd opgenomen.
De resultaten van de afgesloten complexen bouwgrondexploitatie worden in beginsel verrekend met de reserve grondbedrijf. Deze methodiek heeft tot gevolg dat de resultaten van de afgesloten complexen niet in het jaarresultaat na bestemming tot uitdrukking worden gebracht.
Winsten uit de grondexploitatie worden slechts genomen indien en voorzover die met voldoende mate van betrouwbaarheid als gerealiseerd kunnen worden aangemerkt (realisatieprincipe). Zolang daarvan geen sprake is, worden de verkregen verkoopopbrengsten ten volle op de vervaardingskosten in mindering gebracht.
Bij de bepaling van de baten inzake de algemene uitkering is uitgegaan van de septembercirculaire 2018.

